Appellant, met fysieke en psychische beperkingen, ontving op grond van de Wmo 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding. Het college stelde het pgb-tarief voor 2,5 uur per week vast op het lagere tarief voor een informele zorgverlener, terwijl de begeleiding werd geleverd door een zorgaanbieder die niet tot het sociale netwerk in de eerste of tweede graad behoorde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college onterecht het informele tarief toepaste. De Raad baseerde zich op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2018 en de definitie van sociale netwerk in de Wmo 2015, en concludeerde dat de ondersteuner als zorgaanbieder moet worden aangemerkt.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en beval het college een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over het na te betalen pgb en de proceskosten van appellant.