ECLI:NL:CRVB:2021:248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens niet tijdige arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als administratief medewerkster en ontving een WW-uitkering die op 14 januari 2017 eindigde. Zij meldde zich ziek op 6 maart 2017, waarna het UWV een Ziektewetuitkering weigerde omdat zij pas na het einde van de verzekeringsperiode arbeidsongeschikt zou zijn geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts geen aanwijzingen vond voor eerdere arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij al sinds de jaarwisseling ziek was, onderbouwd met verklaringen van psychiaters en een verzekeringsarts.
De Raad oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij binnen de verzekerde periode tot 14 januari 2017 met de uitloop van vier weken arbeidsongeschikt was. De medische rapporten en aanvullende informatie ondersteunen dit niet. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.