ECLI:NL:CRVB:2021:2479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Indicatie banenafspraak ondanks medische beperkingen
Appellante, met een WW-uitkering en medische beperkingen zoals ADHD en kenmerken van een borderline persoonlijkheidsstoornis, vroeg een Indicatie banenafspraak aan vanwege een vermeende urenbeperking. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellante begeleiding ontvangt van de gemeente en niet in aanmerking komt voor deze indicatie. De verzekeringsarts stelde vast dat er wel beperkingen zijn, maar geen medische noodzaak voor een urenbeperking. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante met haar beperkingen voltijds de functie van productiemedewerker kan vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische rapporten en het oordeel van de verzekeringsarts voldoende waren gemotiveerd en de beperkingen niet leidden tot een urenbeperking. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door haar beperkingen en persoonlijke omstandigheden niet in staat zou zijn deze functie te vervullen, maar de Raad volgde het standpunt van de rechtbank en het UWV.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen medische urenbeperking heeft en dat haar persoonlijke omstandigheden, zoals zorg voor het huishouden en haar creatieve voorkeuren, niet relevant zijn voor de beoordeling van de Indicatie banenafspraak. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Indicatie banenafspraak bevestigd.