Verzoekster, met de Marokkaanse nationaliteit, ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Haar verblijfsvergunning werd ingetrokken, waarna zij bezwaar maakte en een aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel indiende, die werd afgewezen. Het college trok de bijstand in en weigerde bijzondere bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond. In hoger beroep vroeg verzoekster een voorlopige voorziening en stelde dat zij gelijkgesteld kon worden met een Nederlander. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster op het moment van het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf had als bedoeld in de Vreemdelingenwet en dus niet gelijkgesteld kon worden.
Hoewel de rechtbank later haar verblijfsrechtelijk beroep gegrond verklaarde, betekent dit niet dat verzoekster voldoet aan de voorwaarden van het Besluit gelijkstelling. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit met aanvullende motivering in hoger beroep stand kan houden en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door J.L. Boxum namens de Centrale Raad van Beroep op 9 september 2021.