Uitspraak
19.3733 WARZO
mr. drs. F.A. Steeman.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een zelfstandige die zich in 2006 vrijwillig verzekerde voor de Ziektewet, ontving in 2007 een zwangerschaps- en bevallingsuitkering van het UWV. In 2018 vroeg zij compensatie op grond van de Tijdelijke Regeling voor zelfstandigen die bevallen zijn tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008, maar deze werd afgewezen omdat zij reeds een uitkering had ontvangen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante door haar vrijwillige verzekering gelijkgesteld is aan een werknemer met recht op uitkering, en dat het onderscheid in de Tijdelijke Regeling objectief gerechtvaardigd is. In hoger beroep voerde appellante aan dat de eerdere uitkering niet als zodanig moet worden beschouwd en dat zij daardoor onterecht wordt uitgesloten, wat in strijd zou zijn met het VN-Vrouwenverdrag.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de uitkering uit 2007 wel degelijk onder het begrip uitkering valt en dat de Tijdelijke Regeling niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie, omdat de categorie vrouwen die zich bij andere verzekeraars vrijwillig verzekerden praktisch niet bestaat. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De compensatieaanvraag van appellante wordt afgewezen omdat zij reeds een zwangerschapsuitkering ontving in 2007.