De zaak betreft vrouwelijke zelfstandigen die bevielen tussen 2005 en 2006 en destijds geen recht hadden op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering vanwege het intrekken van de WAZ-regeling in 2004 zonder overgangsregeling.
Betrokkenen spanden een civielrechtelijke procedure aan tegen de Staat wegens onrechtmatig handelen en beroepen zich op artikel 11, lid 2, sub b, van het VN-Vrouwenverdrag dat zwangerschapsverlof met behoud van inkomen garandeert. De Hoge Raad oordeelde in 2011 dat deze bepaling geen directe werking heeft, maar het CEDAW stelde in 2014 dat de Staat zijn verplichtingen schond en adviseerde compensatie toe te kennen.
Het UWV weigerde compensatie en beriep zich op het ontbreken van rechtstreekse werking en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat het VN-Vrouwenverdrag wel directe werking heeft en dat de uitsluiting van zelfstandigen onrechtmatig is, terwijl de rechtbank Amsterdam anders oordeelde.
De Centrale Raad van Beroep volgt het gezaghebbende oordeel van het CEDAW en oordeelt dat artikel 11, lid 2, sub b, ook op zelfstandigen van toepassing is en rechtstreekse werking kan hebben. Het ontbreken van een regeling voor zelfstandigen in de periode 2004-2008 is strijdig met het verdrag. Het UWV krijgt een termijn van zestien weken om de regeling te herstellen of anders zal de Raad nadere beslissingen nemen.