Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:2212

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 augustus 2021
Publicatiedatum
7 september 2021
Zaaknummer
19/1667 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:64 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:113 AwbArt. 35 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten woningleegmaak en reiniging onterecht

Appellant, die lijdt aan een gehoorstoornis en een psychiatrische verzamelstoornis (hoarding), vroeg bijzondere bijstand aan voor het leegmaken, reinigen, opslaan en terugplaatsen van spullen in zijn woning om geluidsisolatie aan te brengen. Het college wees deze aanvraag af omdat de kosten volgens hen niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de kosten zich nog niet voordeden. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de rechtbank ten onrechte een andere grondslag hanteerde dan het college en dat het college de aanvraag onterecht heeft afgewezen. De Raad stelt vast dat de kosten zich wel voordoen en noodzakelijk zijn, en dat deze kosten niet tot het algemeen gangbare bestedingspatroon behoren vanwege de bijzondere omstandigheden.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het college het betaalde griffierecht vergoedt.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand wordt vernietigd en het college moet een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

19 1667 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 30 augustus 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van
8 maart 2019, 18/2748 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van het college Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P. Schut, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2020, 15 december 2020 en 19 januari 2021. Appellant is steeds verschenen, bijgestaan door mr. Schut. Het college heeft zich op de zittingen van 16 november 2020 en 15 december 2020 niet laten vertegenwoordigen, en heeft zich op de zitting van 19 januari 2021 via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. M. Eerens.
Het onderzoek ter zitting is geschorst voor overleg tussen partijen. Appellant heeft stukken overgelegd en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant lijdt aan een gehoorstoornis. Het college heeft op 24 november 2014 besloten om hem op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning wegens de gehoorstoornis te compenseren door het aanbrengen van geluidsisolatie in zijn woning. Appellant lijdt ook aan een verzamelstoornis of hoarding, een psychiatrische aandoening. Het praktische probleem doet zich voor dat de woning leeg en schoon moet zijn om de geluidsisolatie aan te brengen, wat door de hoarding een kostbare klus is.
1.2.
Op 7 maart 2016, aangevuld op 26 maart 2016, heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van het leegmaken en reinigen van zijn woning, de opslag van zijn spullen, en het weer terugzetten van de spullen.
1.3.
Bij besluit van 5 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten zich wel voordoen, maar dat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de kosten zich op het moment van de beoordeling van de aanvraag (nog) niet voordeden en ook (nog) niet zijn begroot.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ambtshalve oordelend moet worden vastgesteld dat de rechtbank zich los van de grondslag van het bestreden besluit zelfstandig een oordeel heeft gevormd over de vraag of de kosten zich voordoen, met als uitkomst dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat de kosten zich niet voordoen. Dit is een andere grond dan die welke aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:BY8664) verdraagt het zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, geeft dit al aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van het leegmaken en reinigen van zijn woning, de opslag van zijn spullen, en het weer terugzetten van de spullen terecht heeft afgewezen.
4.3.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.4.
Gelet op de inhoud van het bestreden besluit is niet in geschil dat de kosten zich voordoen en dat de kosten in het individuele geval van appellant noodzakelijk zijn.
4.5.
In de PW wordt onderscheid gemaakt tussen algemene bijstand en bijzondere bijstand. Algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dat wil zeggen kosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Bijzondere bijstand is bedoeld om te voorzien in kosten van bestaan die in het individuele geval noodzakelijk zijn en die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.6.
Gelet op de onder 1.1 weergegeven specifieke omstandigheden van dit geval kan niet worden gezegd dat de kosten kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op het standpunt dat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en dat besluit moet worden vernietigd, voor zover het gaat over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van het leegmaken en reinigen van zijn woning, de opslag van zijn spullen, en het weer terugzetten van de spullen.
4.7.
De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De Raad draagt het college daarom op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden als volgt begroot:
  • 2 punten voor het instellen van beroep en het bijwonen van de zitting in beroep, in totaal 2x € 748,- = € 1.496,-
  • 1 punt voor het hoger beroepschrift, € 748,-;
  • 1 punt voor de zitting van 16 november 2020, 0,5 punt voor de zitting van 15 december 2020 en 0,5 punt voor de zitting van 19 januari 2021, in totaal € 1.496,-;
  • 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen, € 374,-;
  • 3x € 20,36 voor reiskosten van appellant in hoger beroep, in totaal € 61,08.
Dit komt dit neer op € 4.114,- voor verleende rechtsbijstand en € 61,08 voor reiskosten van appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 mei 2018, voor zover het ziet op de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van het leegmaken en schoonmaken van de woning, de opslag van de spullen en het weer terugzetten van de spullen;
  • draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.175,08;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2021.
(getekend) J.N.A. Bootsma
De griffier is verhinderd te ondertekenen.