ECLI:NL:CRVB:2021:2149

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 augustus 2021
Publicatiedatum
27 augustus 2021
Zaaknummer
18/6531 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:21 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken vertegenwoordiging en toestemming bewindvoerders

Appellante, verblijvend in een zorginstelling, werd vertegenwoordigd door haar echtgenoot die in 2021 overleed. Naar aanleiding hiervan stelde de kantonrechter een bewind in over haar goederen en benoemde twee bewindvoerders. De Centrale Raad van Beroep constateerde dat appellante niet zelf in staat is haar belangen redelijk te waarderen en dat geen opvolgend gemachtigde is gesteld. Tevens is niet gebleken dat de bewindvoerders haar in deze procedure vertegenwoordigen of toestemming hebben gegeven voor voortzetting van het hoger beroep.

De Raad heeft de bewindvoerders meerdere malen verzocht om toestemming te geven voor het voortzetten van de beroepsprocedure, maar deze toestemming is niet verleend. Hierdoor kon het hoger beroep en het verzoek om herziening niet-ontvankelijk worden verklaard. Tijdens de zittingen was appellante niet aanwezig en werd zij vertegenwoordigd door haar gemachtigde, die inmiddels was overleden.

De Raad oordeelde dat zonder geldige vertegenwoordiging en toestemming van de bewindvoerders de procedure niet kan worden voortgezet. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 augustus 2021.

Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om herziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van geldige vertegenwoordiging en toestemming van de bewindvoerders.

Uitspraak

18.6531 WLZ, 19/3560 WLZ, 20/653 WLZ, 20/1676 WLZ

Datum uitspraak: 25 augustus 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2018, 18/574 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 25 maart 2020, 18/412 WLZ, 18/444 WLZ, 18/5115 WLZ, 19/3518 WLZ, 19/3519 WLZ
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [X] hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
CAK heeft een verweerschrift en stukken ingediend. Op 31 december 2018 heeft CAK een nader besluit genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Imhoff. Het onderzoek ter zitting in de zaken 18/6531 WLZ, 19/3560 WLZ en 20/653 WLZ is geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen te reageren op het besluit van 6 september 2019 dat CAK ter zitting heeft overgelegd.
Namens appellante heeft [X] gereageerd. Verder is verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 25 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:747.
CAK heeft op dit verzoek een reactie gegeven en [X] heeft namens appellante hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2021. Namens appellante is niemand verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Imhoff.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
2. Appellante verblijft in een zorginstelling. De echtgenoot en gemachtigde van appellante, [X] , is op [datum] 2021 overleden.
3. Bij beschikking van 9 april 2021 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan appellante vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand en [Y] en [Z] tot bewindvoerders benoemd. De Raad stelt vast dat het hier aan de orde zijnde valt onder dit bewind.
4. Niet gebleken is dat zich een opvolgend gemachtigde heeft gesteld, dat de bewindvoerders appellante in deze procedure vertegenwoordigen en dat appellante tot een redelijke waardering van haar belangen in staat kan worden geacht.
5. De Raad heeft de bewindvoerders van appellante meermalen verzocht aan te geven of zij appellante toestemming geven onderhavige beroepsprocedure voort te zetten. De bewindvoerders hebben geen toestemming gegeven.
6. Gelet op het vorenstaande zal het hoger beroep en het verzoek om herziening niet-ontvankelijk worden verklaard.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep en het verzoek om herziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2021.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) G.S.M. van Duinkerken