ECLI:NL:CRVB:2021:2064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig directeur-grootaandeelhouder, meldde zich ziek met burn-out klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Appellant maakte bezwaar en beroep, maar ook na aanvullend onderzoek bleef de arbeidsongeschiktheid onder de 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen sprake was van willekeur.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer dat het UWV tekort was geschoten en dat de beoordeling niet op feiten was gebaseerd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV terecht het besluit nam op basis van de Wet WIA en dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd die tot een ander oordeel leiden.
De Raad bevestigde dat appellant met de vastgestelde beperkingen in staat is om minder stressvolle functies te vervullen die een loon opleveren dat leidt tot minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Daarom is het bestreden besluit om de WIA-uitkering te weigeren terecht en wordt het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.