ECLI:NL:CRVB:2021:1985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd terecht
Appellant, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich in 2015 ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld en later op een WIA-uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig was en geen aanleiding gaf tot het aannemen van extra beperkingen. Appellant stelde in hoger beroep dat de medische onderzoeken onzorgvuldig waren en dat zijn beperkingen, waaronder vermoeidheid door medicatie en klachten aan het stuitje, onvoldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank zich niet onjuist heeft opgesteld door zich niet een medisch oordeel aan te meten en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat heeft beoordeeld. De Raad bevestigt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering omdat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft vervuld. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij de wachttijd niet heeft vervuld en de medische beoordeling correct is.