ECLI:NL:CRVB:2021:191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellante, werkzaam als wijkverpleegkundige, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat zij volgens een arbeidsdeskundige en verzekeringsarts meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen met geschikte functies, ondanks haar beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de belastbaarheid zorgvuldig was beoordeeld, rekening houdend met haar psychische aandoeningen en beperkingen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten ernstig zijn en dat zij niet kan werken zonder terugval, mede onderbouwd met een behandelovereenkomst van haar psychiater.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerde dat de medische situatie niet wezenlijk was veranderd en dat de geselecteerde functies passend zijn. De Raad oordeelt dat de re-integratieondersteuning door het UWV geen invloed heeft op de medische beoordeling.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.