ECLI:NL:CRVB:2021:19
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster, meldde zich ziek met hand-, pols- en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor een medische afname van haar belastbaarheid. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was opgesteld.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en concludeerde dat alle relevante medische informatie was betrokken, dat de verzekeringsartsen gemotiveerd hadden gehandeld en dat de beperkingen passend waren vastgesteld. Er was geen reden voor een urenbeperking en geen aanwijzingen voor een medische afname van haar belastbaarheid. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.