Uitspraak
20.365 AOW
OVERWEGINGEN
.Daarop heeft de Svb bij besluit van 1 april 2019 het ouderdomspensioen van appellant per 1 april 2019 herzien naar een pensioen voor een gehuwde.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds december 2014 een ongehuwdenpensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Na het aangaan van een geregistreerd partnerschap op 13 maart 2019 heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) het pensioen per 1 april 2019 herzien naar een gehuwdenpensioen, omdat niet is gebleken van duurzaam gescheiden leven.
Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, stellende dat sprake is van duurzaam gescheiden leven en dat hij onjuist is voorgelicht door de Svb. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant en zijn partner een gezamenlijke huishouding voeren, regelmatig samen activiteiten ondernemen en plannen hebben om samen te wonen.
In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat duurzaam gescheiden leven niet is aangetoond en dat de Svb en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verschillende criteria hanteren, wat geen reden is voor een ander oordeel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs mocht verwachten dat zijn pensioen ongewijzigd zou blijven.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het gehuwdenpensioen blijft van toepassing omdat geen duurzaam gescheiden leven is vastgesteld.