ECLI:NL:CRVB:2021:1773
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening beëindiging nabestaandenuitkering op grond van ANW
Na het overlijden van haar echtgenoot kreeg appellante vanaf juli 2017 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 1 februari 2018, omdat haar zoon meerderjarig werd en zij niet voor minstens 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante wendde hiertegen geen rechtsmiddelen aan, waardoor het besluit rechtsgeldig werd.
Appellante verzocht vervolgens op 2 maart 2018 om herbeoordeling van haar recht op de uitkering, stellende dat haar beperkingen in 2017 waren onderschat. De Svb wees dit verzoek af met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb, omdat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dit werd bevestigd in het bezwaarbesluit van 6 februari 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bezwaar ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische beoordeling te beperkt was geweest, maar de Raad oordeelde dat de Svb zorgvuldig en deugdelijk had gemotiveerd dat er geen nieuwe feiten waren die aanleiding gaven tot herziening. De Raad bevestigde de uitspraak en wees het beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzitter A. van Gijzen op 16 juli 2021.
Uitkomst: Verzoek om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.