ECLI:NL:CRVB:2021:1754

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2021
Publicatiedatum
19 juli 2021
Zaaknummer
18/6514 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:55c AwbAfdeling 4.1.3 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen dwangsom bij tijdige beslissing op maatwerkvoorziening pgb

Betrokkene had een maatwerkvoorziening Ondersteuning thuis - Schoon huis toegekend gekregen voor de periode juli 2016 tot en met september 2017. Na een geschil over de hoogte van de gehanteerde uurtarieven in de persoonsgebonden budgetten (pgb) werd een schikking getroffen waarbij het college een pgb zou verstrekken tegen specifieke uurtarieven.

Het college verstrekte echter het pgb met lagere uurtarieven dan overeengekomen, waarna betrokkene het college in gebreke stelde en beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het college geen dwangsom had verbeurd omdat het besluit tijdig was genomen, ook al was het inhoudelijk onjuist.

In hoger beroep voerde betrokkene aan dat het college wel een dwangsom had verbeurd door niet tijdig een juiste beslissing te nemen en dat het besluit van 13 november 2017 een beslissing in primo was. De Raad oordeelde dat het besluit een herziening van een beslissing op bezwaar betrof, waardoor de dwangsombepalingen niet van toepassing waren op ambtshalve herzieningen en bevestigde dat het college geen dwangsom had verbeurd.

Het incidenteel hoger beroep van het college werd eveneens afgewezen en het college werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellanten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college geen dwangsom heeft verbeurd en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

18 6514 WMO15, 19/2044 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Datum uitspraak: 14 juli 2021
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 november 2018, 18/1944 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (college)

PROCESVERLOOP

[betrokkene] (betrokkene) heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een zienswijze ingediend.
Betrokkene is overleden. Appellanten hebben laten weten de procedure voort te zetten.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021. Namens appellanten is verschenen [X], executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van betrokkene. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. de Kuijper en mr. R.P.J. Hengeveld.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 30 juni 2016, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 17 januari 2017, heeft het college betrokkene, geboren in 1924, overleden in 2020, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor de periode 1 juli 2016 tot en met 30 september 2017 een maatwerkvoorziening Ondersteuning thuis - Schoon huis van 3 uur per week verstrekt in de vorm van ondersteuning in natura.
1.2.
Tijdens de behandeling van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 17 januari 2017 ter zitting van de rechtbank van 8 november 2017 zijn betrokkene en het college – samengevat – het volgende overeengekomen. Betrokkene trekt het beroep in. Het college verstrekt binnen een week na 8 november 2017 de onder 1.1 genoemde maatwerkvoorziening voor de periode 4 april 2016 tot en met 30 september 2017 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het college hanteert voor de periode 6 april 2016 tot en met 31 december 2016 het uurtarief van € 19,05 en voor de periode 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017 het uurtarief van € 19,10.
1.3.
Bij bericht van 13 november 2017 heeft het college betrokkene voor de periode 6 april 2016 tot en met 30 september 2017 het onder 1.2 bedoelde pgb verstrekt. Hierbij heeft het college voor de periode 6 april 2016 tot en met 31 december 2016 het uurtarief van € 17,93 gehanteerd en voor de periode 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017 het uurtarief van € 18,50. In het bericht is vermeld dat de Sociale verzekeringsbank (Svb) de ondersteuner van betrokkene betaalt via het trekkingsrecht.
1.4.
Bij e-mail van 8 december 2017 heeft betrokkene het college te kennen gegeven dat het uurtarief dat via het trekkingsrecht beschikbaar is gesteld niet overeenstemt met het bij de schikking overeengekomen uurtarief. Betrokkene heeft het college verzocht om dit te corrigeren.
1.5.
Bij e-mail van 19 februari 2018 heeft betrokkene het college, onder verwijzing naar haar e-mail van 8 december 2017, in gebreke gesteld. Betrokkene heeft daarbij aangevoerd dat het college de ter zitting gemaakte afspraken niet is nagekomen. De uurtarieven in het bericht van 13 november 2017 stemmen niet overeen met de overeengekomen uurtarieven. Daardoor heeft haar ondersteuner te weinig loon ontvangen.
1.6.
Op 16 april 2018 heeft betrokkene onder verwijzing naar haar e-mail van 19 februari 2018 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verder heeft betrokkene de rechtbank verzocht om op grond van artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast te stellen.
1.7.
Bij e-mail van 29 mei 2018 heeft het college betrokkene meegedeeld dat het klopt dat de uurtarieven in het bericht van 13 november 2017 niet overeenstemmen met de overeengekomen uurtarieven. Verder heeft het college in deze email meegedeeld dat hij dit al op 29 december 2017 heeft doorgegeven aan de Svb en dat betrokkene zelf verantwoordelijk is voor het doorgeven van wijzigingen in het salaris van haar ondersteuner, ook met terugwerkende kracht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – samengevat en voor zover hier nog van belang – het volgende overwogen. Het bericht van 13 november 2017 van het college is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het betreft een herziening van de beslissing op bezwaar van 17 januari 2017. De e-mail van 8 december 2017 van betrokkene moet worden aangemerkt als beroepschrift tegen deze herziene beslissing op bezwaar. Het zo ingestelde beroep is gegrond. In het besluit van 13 november 2017 zijn ten onrechte andere uurtarieven gehanteerd dan de overeengekomen uurtarieven. De rechtbank heeft het besluit van 13 november 2017 vernietigd, het besluit van 30 juni 2016 herroepen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat betrokkene recht heeft op een maatwerkvoorziening Ondersteuning thuis - Schoon huis van 3 uur per week in de vorm van een pgb tegen een uurtarief van € 19,05 voor de periode 6 april 2016 tot en met 31 december 2016 en een uurtarief van € 19,10 voor de periode 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college geen dwangsom heeft verbeurd. Ter zitting van de rechtbank van 8 november 2017 is overeengekomen dat het college binnen een week een besluit neemt. Het besluit is vervolgens op 13 november 2017, dus tijdig, genomen. Dat het besluit volgens betrokkene inhoudelijk niet deugt, doet daar niet aan af.
3.1.
Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat het college geen dwangsom heeft verbeurd. Betrokkene heeft de Raad verzocht om de hoogte van de verbeurde dwangsom alsnog vast te stellen.
3.2.
Het college heeft in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
3.3.
Het college heeft in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 13 november 2017 nietontvankelijk had moeten verklaren. Het college heeft aangevoerd dat betrokkene geen procesbelang meer had bij haar beroep tegen dit besluit, nu het college met zijn e-mail van 29 mei 2018 een gewijzigd besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb heeft genomen.
3.4.
Betrokkene heeft nietontvankelijkverklaring van het incidenteel hoger beroep van het college tegen de aangevallen uitspraak bepleit, nu niet is gebleken van enig verband tussen de gronden van het incidenteel hoger beroep en die van het hoger beroep.
3.5.
Ter zitting van de Raad hebben appellanten het hoger beroep als volgt nader toegelicht. Het college heeft een dwangsom verbeurd bij het nemen van het besluit van 13 november 2017 door niet tijdig een juiste beslissing te nemen in vervolg op de schikking. Verder heeft het college een dwangsom verbeurd bij het nemen van het besluit van 29 mei 2018 door niet tijdig een beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2017. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het besluit van 13 november 2017 geen beslissing op bezwaar, maar een beslissing in primo. Dit betekent dat de e-mail van 8 december 2017 geen beroepschrift, maar een bezwaarschrift is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 13 november 2017 een herziening van de beslissing op bezwaar van 17 januari 2017 betreft. Het besluit van 13 november 2017 behelst namelijk een wijziging van het besluit van 17 januari 2017 voor wat betreft de duur en de verstrekkingsvorm van de eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, is het besluit van 13 november 2017 daarom geen beslissing in primo, maar een herziene beslissing op bezwaar. Gelet hierop moet, ook anders dan appellanten hebben aangevoerd, de email van 8 december 2017 niet worden aangemerkt als bezwaarschrift, maar als beroepschrift.
4.2.
De e-mail van 29 mei 2018 van het college is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het berust op een ambtshalve herziening van de herziene beslissing op bezwaar van 13 november 2017. Het besluit van 29 mei 2018 behelst namelijk een wijziging van het besluit van 13 november 2017 wat betreft de hoogte van de uurtarieven die horen bij de eerder verstrekte maatwerkvoorziening.
4.3.
De grond dat het incidenteel hoger beroep van het college niet-ontvankelijk is, slaagt niet. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2485, hoeft de indiener van het incidenteel hoger beroep zich bij zijn keuze welke beslissingen van de rechtbank hij in dit beroep betrekt, niet te beperken tot de beslissingen waarop het hoger beroep betrekking heeft.
4.4.
Anders dan het college heeft aangevoerd, heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 13 november 2017 terecht ontvankelijk geacht. Betrokkene had belang bij dit beroep, reeds gelet op haar verzoek aan de rechtbank om de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen.
4.5.
Anders dan betrokkene heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college geen dwangsom heeft verbeurd bij het nemen van het besluit van 13 november 2017. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank daarover volledig en voegt daaraan toe dat voor de toepassing van de dwangsombepalingen in de Awb slechts van belang is of tijdig een beslissing is genomen en niet of tijdig een juiste beslissing is genomen.
4.6.
Anders dan betrokkene heeft aangevoerd, heeft het college evenmin een dwangsom verbeurd bij het nemen van het besluit van 29 mei 2018. Zoals overwogen in 4.2 betreft dit een ambtshalve genomen beslissing. De dwangsombepalingen in de Awb zijn daarop niet van toepassing.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van betrokkene en het incidenteel hoger beroep van het college niet slagen. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten en met verbetering van gronden.
5. Omdat het incidenteel hoger beroep van het college niet slaagt, bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 25,80 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 25,80.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek als voorzitter en J.C. Boeree en R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2021.
(getekend) H. Benek
(getekend) B.H.B. Verheul