ECLI:NL:CRVB:2021:1745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage vierde kwartaal 2018
Appellante vorderde kinderbijslag voor haar zoon over het vierde kwartaal van 2018, terwijl deze niet tot haar huishouden behoorde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat appellante niet aannemelijk kon maken dat zij haar zoon voor minimaal € 422,- had onderhouden in die periode.
Appellante overhandigde diverse bewijzen, waaronder bankafschriften met contante opnames en een betalingsbewijs van maart 2019, maar deze werden niet als voldoende bewijs erkend. Contante opnames konden niet als onderhoudsbijdrage worden beschouwd omdat niet kon worden vastgesteld dat het ten goede van het kind kwam. Betalingen na het kwartaal werden niet toegerekend aan het vierde kwartaal.
Appellante voerde ook aan dat de Svb onduidelijk was over de onderhoudsvereisten, maar dit beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de Svb haar op 19 december 2018 schriftelijk had geïnformeerd over de bewijsvoering. Bovendien had appellante niet gemeld dat haar zoon al eerder vrijstelling van leerplicht had gekregen om in het buitenland te studeren.
De Raad concludeerde dat appellante niet voldeed aan de onderhoudsvoorwaarde en bevestigde het bestreden besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2018 wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte onderhoudsbijdrage.