ECLI:NL:CRVB:2021:1721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks ernstige aandoening
Appellante, geboren in 1991, ontvangt sinds 2012 een Wajong-uitkering vanwege het syndroom van Beckwith-Wiedemann en andere gezondheidsklachten. Door een wetswijziging werd haar uitkering per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon, omdat het UWV oordeelde dat zij arbeidsvermogen heeft.
Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat appellante inderdaad arbeidsvermogen bezit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat zij geen arbeidsvermogen heeft en dat het UWV onjuiste wettelijke grondslagen gebruikte.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV. Het medisch onderzoek was uitgebreid en onafhankelijk, en de arbeidsdeskundigen concludeerden dat appellante in staat is lichte taken uit te voeren gedurende ten minste vier uur per dag. De Raad zag geen aanleiding om een deskundige in te schakelen of het besluit te vernietigen.
Hoewel de wettelijke verwijzing in het besluit onjuist was, achtte de Raad dit een kennelijke misslag zonder gevolgen voor de rechtsgeldigheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de Wajong-uitkering omdat appellante arbeidsvermogen bezit.