ECLI:NL:CRVB:2021:163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van de Griend
- J.T.H. Zimmerman
- S.B. Smit-Colenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant ontving WW-uitkeringen over de periodes 24 december 2012 tot 23 maart 2013 en 13 december 2013 tot 12 maart 2014, en een ZW-uitkering van 13 maart 2014 tot 27 februari 2015, gebaseerd op een vermeend dienstverband met een besloten vennootschap (BV). Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot de BV en daarom niet als werknemer voor de WW en ZW verzekerd was.
Het UWV trok de uitkeringen in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. Appellant maakte bezwaar, maar het UWV verklaarde deze ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking de drie kenmerken arbeid, gezagsverhouding en loon aanwezig moeten zijn. Appellant stelde dat gezagsverhouding niet vereist was, maar dit werd verworpen op grond van vaste rechtspraak. Ook werden verklaringen van getuigen, ondanks het ontbreken van handtekeningen, als betrouwbaar beoordeeld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht had op WW- en ZW-uitkeringen wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.