ECLI:NL:CRVB:2021:1600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na schorsing ouderdomspensioen wegens onjuiste uitschrijving BRP
Appellant werd in februari 2019 onterecht uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP) en kreeg daarop een boete opgelegd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) schortte daarop het AOW-pensioen op, omdat onzeker was of appellant nog recht had op het pensioen. Het college van burgemeester en wethouders herstelde de inschrijving met terugwerkende kracht en de Svb hief de schorsing op met terugwerkende kracht. Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding wegens de gevolgen van de schorsing.
De rechtbank wees het schadeverzoek af omdat het schorsingsbesluit rechtmatig was. In hoger beroep stelde appellant dat de schorsing onrechtmatig was en dat de Svb zijn zorgplicht had geschonden door zonder meer uit te gaan van de uitschrijving. Hij verwees naar de door hem ervaren ellende, waaronder de inzet van een deurwaarder.
De Raad overwoog dat voor vergoeding van immateriële schade een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of aantasting van de persoon vereist is, hetgeen appellant niet aannemelijk had gemaakt. Ook materiële schade door tijdverlies was onvoldoende onderbouwd. Daarom komt geen vergoeding in aanmerking. De Raad liet in het midden of het schorsingsbesluit onrechtmatig was en bevestigde de afwijzing van het schadeverzoek.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens de schorsing van het AOW-pensioen wordt afgewezen.