ECLI:NL:CRVB:2021:1596

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
2 juli 2021
Zaaknummer
20/1787 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Europees Sociaal Handvest
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand ondanks werkzaamheden in re-integratietraject

In deze zaak gaat het om een terugvordering van bijstand ter hoogte van €6.860,96 door het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk. Appellant ontving deze bijstand terwijl hij ook aanspraak had op een erfenis van €17.595,-. Het geschil betreft de vraag of het college terecht tot terugvordering is overgegaan.

Appellant voerde aan dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel schond door geen rekening te houden met het feit dat hij in de teruggevorderde periode werkzaamheden verrichtte in het kader van een re-integratietraject zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Tevens verwees hij naar artikel 4 van Pro het Europees Sociaal Handvest.

De Raad oordeelde dat het verrichten van werkzaamheden binnen een re-integratietraject geen reden is om van terugvordering af te zien of deze te matigen. Het recht op bijstand bleef onverminderd bestaan en de terugvordering bracht daarin geen verandering. Het college maakte terecht gebruik van zijn bevoegdheid tot terugvordering. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing van dit oordeel.

De aangevoerde gronden in hoger beroep slaagden niet, en de Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland. Er werd geen aanleiding gezien tot het opleggen van proceskosten.

Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd ondanks de verrichte werkzaamheden in het re-integratietraject.

Uitspraak

20.1787 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 april 2020, 19/5557 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (college)
Datum uitspraak: 29 juni 2021
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: J.B. Beerens
Appellant heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. C.J. van der Have, advocaat. Namens het college is mr. L.G. Röst verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 6.860,96. Het college vordert dat bedrag terug omdat appellant over een periode waarin hij bijstand genoot ook aanspraak had op een bedrag van € 17.595,- uit de nalatenschap van zijn oma.
Niet in geschil is dat het college bevoegd is tot terugvordering over te gaan. Het hoger beroep komt erop neer dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden door bij de beoordeling van de dringende redenen om van terugvordering af te zien, niet te betrekken dat appellant in de periode waarover de bijstand wordt teruggevorderd, in het kader van een re-integratietraject werkzaamheden heeft verricht, zonder dat daar een vergoeding tegenover stond. In dit kader verwijst appellant ook naar artikel 4 van Pro het Europees Sociaal Handvest.
Anders dan appellant stelt en zoals ook in de besluitvorming tot uitdrukking komt, vormt de enkele omstandigheid dat appellant in het kader van een re-integratietraject arbeid heeft verricht, geen reden van terugvordering af te zien of om de terugvordering te matigen.
De enkele omstandigheid dat de bijstand wordt teruggevorderd, laat in dit geval immers onverlet dat appellant in die maanden recht op bijstand had. Daar is met het terugvorderingsbesluit geen verandering in gebracht. Appellant heeft destijds in het kader van de aan het recht op bijstand gekoppelde verplichtingen een re-integratietraject gevolgd. Dat appellant zich heeft gehouden aan een uit de wet voortvloeiende verplichting brengt niet mee dat het college niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering over te gaan. De verplichting tot betaling van bijstand is gekoppeld aan het recht op bijstand en is niet gekoppeld aan de in het kader van een voorziening verrichte werkzaamheden. Een bijstandsuitkering kan ook niet gelijk worden gesteld met een arbeidsbeloning. De Raad volstaat hier verder met een verwijzing naar de in het verweerschrift in bezwaar ook door het college genoemde uitspraak van de Raad van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2550.
De in hoger beroep aangevoerde gronden slagen niet.
Voor een veroordeling in de kosten bestaat dan geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.B. Beerens (getekend) P.W. van Straalen