ECLI:NL:CRVB:2021:1579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid per 23 april 2018
Appellant, voormalig slager, meldde zich in november 2014 ziek met fysieke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling werd zijn uitkering per 24 december 2015 beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen in andere functies. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In 2017 meldde appellant zich opnieuw ziek met fysieke en psychische klachten. Het UWV beëindigde de Ziektewetuitkering per 6 februari 2017, met terugwerkende kracht tot 23 april 2018, omdat appellant toen geschikt werd geacht voor de geselecteerde functies. Appellant maakte opnieuw bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant op 23 april 2018 in staat was om ten minste één van de geselecteerde functies te verrichten. Appellant voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, waaronder ernstige psychische klachten en medicatiegebruik, maar kon dit niet met nieuwe medische gegevens onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering per 23 april 2018 wordt bevestigd.