ECLI:NL:CRVB:2021:1512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verblijf buiten Nederland anders dan vakantie
Appellant was werkzaam bij een werkgever en kreeg onbetaald verlof van december 2012 tot maart 2014, waarna hij in Kenia verbleef en een sportschool oprichtte. Na beëindiging van het dienstverband in augustus 2014 keerde hij terug naar Kenia waar hij tot augustus 2018 zijn sportschool exploiteerde. Appellant vroeg per 12 augustus 2018 een WW-uitkering aan met ingang van 1 augustus 2014.
Het UWV weigerde de uitkering over de periode van 1 oktober 2014 tot 30 september 2017 omdat deze periode lag buiten de toegestane 26 weken voorafgaand aan de aanvraag. Bij bezwaar handhaafde het UWV dit besluit en stelde dat geen bijzondere omstandigheden waren die afwijken van artikel 35 WW Pro rechtvaardigen. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar handhaafde de weigering op grond van artikel 19 lid 1 sub e WW Pro, omdat appellant anders dan wegens vakantie in Kenia verbleef.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat artikel 19 lid 1 sub e WW Pro een dwingendrechtelijke uitsluitingsgrond is die geen ruimte laat voor individuele omstandigheden. Het verblijf van appellant in Kenia anders dan wegens vakantie sluit recht op WW-uitkering uit. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant anders dan wegens vakantie in Kenia verbleef.