Uitspraak
20.3790 MAW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een defensieambtenaar geplaatst op een ambassade in het buitenland, ontving zowel een tegemoetkoming op grond van het DBZV-2007 als een bedrag van €6.000,- op grond van het VKBD. De staatssecretaris stelde dat het VKBD niet op appellant van toepassing was en vorderde terugbetaling van het bedrag, wat werd bevestigd in een besluit tot terugvordering van €4.195,03.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de vergoedingen niet dezelfde kosten betroffen en dat artikelen van het VBD en DBZV-2007 elkaar uitsloten, en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Raad oordeelde dat op grond van artikel 1, tweede lid, VKBD een verboden samenloop bestaat tussen aanspraken op grond van het VKBD en het DBZV-2007, waardoor dubbele aanspraken worden uitgesloten.
De Raad verwierp het betoog dat de vergoedingen niet op dezelfde kosten zien en dat het vertrouwensbeginsel slaagt, omdat geen toezeggingen van de overheid zijn gebleken. Het hoger beroep werd verworpen en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van €4.195,03 wordt bevestigd.