ECLI:NL:CRVB:2021:1382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor Wlz-indicatie ondanks vrijgekomen zorgplek
Verzoeker, bekend met osteogenesis imperfecta en een autismespectrumstoornis, heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) met het doel begeleid te gaan wonen bij een zorginstelling. Het CIZ wees deze aanvraag af vanwege het ontbreken van een blijvende behoefte aan 24-uurszorg. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval toekenning van de Wlz-indicatie per 1 januari 2021.
CIZ stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening omdat zijn moeder de zorg niet langer aankan en er een plek vrij was bij de zorginstelling. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was om de Wlz-indicatie onmiddellijk toe te kennen. Verzoeker kon eerst zorg via de Zorgverzekeringswet of uitbreiding van de Wmo 2015 proberen te regelen.
De voorzieningenrechter benadrukte dat de beschikbaarheid van een zorgplek niet direct verband houdt met de noodzaak van onmiddellijke Wlz-zorg. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor toekenning van een Wlz-indicatie wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.