ECLI:NL:CRVB:2021:1359

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2021
Publicatiedatum
9 juni 2021
Zaaknummer
19/4466 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 65 BarpPolitiewet 2012
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling korpschef in proceskosten na gedeeltelijke tegemoetkoming in beroepsprocedure

Appellante was geplaatst in een functie bij de politie en maakte bezwaar tegen dit besluit. De korpschef verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellante beroep instelde. Vervolgens plaatste de korpschef appellante in de door haar geambieerde functie, waarmee hij grotendeels aan het beroep tegemoetkwam.

De rechtbank wees het verzoek van appellante af om de korpschef te veroordelen in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht, omdat het latere besluit op een andere rechtsgrondslag was gebaseerd. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat de korpschef wel degelijk grotendeels aan het beroep tegemoet is gekomen en dat de enkele omstandigheid van een andere rechtsgrondslag geen bijzondere omstandigheid vormt om af te wijken van de regel dat proceskosten worden vergoed. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de korpschef tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: De korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante.

Uitspraak

19.4466 AW

Datum uitspraak: 3 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2019, 17/6920 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
De korpschef heeft bij besluit van 10 juni 2016 appellante met ingang van 1 juli 2016
geplaatst in de functie [functie] A, gewaardeerd op schaal 9, bij de eenheid [eenheid] , Dienst [Dienst] .
1.2.
Bij besluit van 22 juni 2017 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 10 juni 2016 ongegrond verklaard.
1.3.
Bij besluit van 20 december 2017 heeft de korpschef appellante, in verband
met haar specifieke situatie met ingang van 1 januari 2017 geplaatst in de door haar geambieerde functie van [functie] B, gewaardeerd op schaal 10, [afdeling], bij de eenheid [eenheid] , op basis van artikel 65, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Daarbij is appellante verzocht om zo spoedig mogelijk de navolgende, lopende procedures in te trekken dan wel stop te zetten:
- de RAAF-aanvraag;
- het verzoek om plaatsing op de functie [functie] B op grond van de regeling langdurig TTW/waarnemen;
- het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit.
1.4.
Op 11 oktober 2018 heeft de gemachtigde van appellante het beroep tegen het bestreden
besluit ingetrokken. Omdat appellante met het besluit van 20 december 2017 grotendeels aan het ingestelde beroep is tegemoetgekomen, heeft zij daarbij gelijktijdig verzocht om vergoeding van de proceskosten, als bedoeld in artikel 8:75a, van de Awb. De korpschef heeft op 20 november 2018 een afwijzende reactie gegeven op dit verzoek.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om de korpschef te veroordelen in de proceskosten afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroep in de onderhavige procedure was gericht tegen een besluit in het kader van de personele reorganisatie Politiewet 2012. Het besluit van 20 december 2017 heeft een andere rechtsgrond, namelijk artikel 65, van het Barp. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden geconcludeerd dat de korpschef aan het beroep van appellante is tegemoetgekomen. Omdat de korpschef niet aan het beroep is tegemoetgekomen is hij evenmin gehouden om het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Het geschil betreft uitsluitend nog de vraag of de rechtbank met juistheid het verzoek van appellante heeft afgewezen om de korpschef te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten en heeft nagelaten te bepalen dat de korpschef het in beroep betaalde griffierecht vergoedt.
4.2.
Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden (uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:397).
4.3.
In de aan het beroep voorafgaande procedure over haar plaatsing, heeft appellante zich steeds op het standpunt gesteld dat zij zou moeten worden geplaatst in de functie van [functie] B met ingang van 1 juli 2016. Nu appellante bij het besluit van 20 december 2017 met ingang van 1 januari 2017 is geplaatst in de door haar geambieerde functie van [functie] B, is de korpschef daarmee grotendeels tegemoetgekomen aan het beroep. De enkele omstandigheid dat het besluit van 20 december 2017 op een andere grondslag berust, is geen bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in 4.2. Daarbij acht de Raad van betekenis dat de korpschef in het besluit van 20 december 2017 nadrukkelijk aan appellante heeft verzocht om het onderhavige beroep in te trekken.
4.4.
Uit voorgaande overwegingen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het verzoek tot veroordeling van de korpschef in de proceskosten van appellante in beroep toewijzen tot een bedrag van € 534,- (1 punt voor indienen beroepschrift) voor verleende rechtsbijstand en bepalen dat de korpschef aan appellante het in beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- dient te vergoeden.
5. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 534,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat de korpschef aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 427,- vergoedt;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.068,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2021.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) P.W.J. Hospel