ECLI:NL:CRVB:2021:1342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA op 63,50%
Appellant, voormalig steigerbouwer, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65,47% vast, later bij bezwaar en beroep herzien tot 63,50%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies geschikt.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten, waaronder tintelingen en krampen in handen en voeten, onderschat waren en dat hij daardoor ongeschikt zou zijn voor functies die fijne motoriek vereisen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze klachten niet medisch onderbouwd waren en dat er geen reden was om het eerdere oordeel te herzien.
De Raad bevestigde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd daarmee bekrachtigd en het hoger beroep van appellant werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 63,50%.