ECLI:NL:CRVB:2021:1333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Betrokkene had een AOW-pensioen toegekend gekregen als ongehuwde pensioengerechtigde, terwijl hij in het beoordeelde tijdvak een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw X. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag het pensioen met terugwerkende kracht en vorderde een te veel betaald bedrag terug. De rechtbank had het eerdere herzieningsbesluit gedeeltelijk vernietigd, maar de Svb stelde een nieuw besluit vast waarbij de terugvordering werd gematigd.
Betrokkene voerde aan dat hij geen affectieve relatie had en dat elders in de EU woongemeenschappen anders worden beoordeeld, en beriep zich op artikel 8 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat betrokkene onvoldoende had onderbouwd dat het besluit een ongeoorloofde inmenging vormde en bevestigde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens de AOW.
De Raad stelde dat de Svb het herzienings- en terugvorderingsbeleid consistent en rechtmatig had toegepast, inclusief de matiging van terugwerkende kracht op grond van het oude 3:4-beleid van de Awb. Dringende redenen om meer matiging toe te passen of af te zien van terugvordering waren niet aannemelijk gemaakt. Het incidenteel hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit van de AOW-pensioenuitkering wordt ongegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.