ECLI:NL:CRVB:2021:132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldige medische toetsing en beoordeling taalvaardigheid
Appellant, sinds 1980 werkzaam als operator, meldde zich in april 2016 ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen ernstig zijn en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal. Hij verzocht ook om benoeming van een deskundige op grond van het arrest Korošec.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt toe te lichten. Er was geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad onderschreef de rechtbank in het oordeel dat de geselecteerde functies ook met beperkte taalvaardigheid passend zijn.
De Raad bevestigde de weigering van de WIA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.