ECLI:NL:CRVB:2021:1274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellant, met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, had kinderbijslag aangevraagd voor het eerste kwartaal van 2019. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant geen duurzame band met Nederland had en op de peildatum 1 januari 2019 niet als ingezetene kon worden aangemerkt. Appellant was sinds 2011 grotendeels in Marokko woonachtig en pas in oktober 2018 teruggekeerd naar Nederland, waar hij dakloos was en in opvanghuizen verbleef.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de korte verblijfsduur in Nederland en het ontbreken van een duurzame woning en bindingen met Nederland onvoldoende waren om ingezetenschap aan te nemen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij sinds oktober 2018 onafgebroken in Amsterdam verbleef en de intentie had zich definitief te vestigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en verwees naar vaste rechtspraak waarin is bepaald dat ingezetenschap vereist dat een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat, die niet alleen op intentie berust. Het ontbreken van een duurzame woning, de korte verblijfsduur en het feit dat appellant zijn gezin in Marokko onderhoudt, ondersteunen het oordeel dat geen ingezetenschap bestond. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2019 omdat hij geen ingezetene van Nederland was.