ECLI:NL:CRVB:2021:1228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim en belangenverstrengeling ambtenaar
Appellant was sinds 2008 werkzaam bij de gemeente Den Haag en werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Het college stelde dat appellant belangenverstrengeling had gepleegd door een woning te verhuren aan een cliënt die hij in zijn ambtelijke functie begeleidde, zonder dit te melden bij zijn leidinggevende. Daarnaast werd appellant verweten een adresonderzoek te hebben laten uitvoeren en zijn nevenactiviteiten niet te hebben gemeld.
De rechtbank oordeelde dat het adresonderzoek niet als plichtsverzuim kon worden aangemerkt, maar dat het verhuren van een woning aan een cliënt wel de schijn van belangenverstrengeling wekte en ernstig plichtsverzuim vormde. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat appellant deze dubbelrol heeft aangenomen en hierover niet heeft gerapporteerd. Het college was bevoegd een disciplinaire maatregel op te leggen.
De Raad verwierp het beroep van appellant en het incidenteel beroep van het college. De straf van onvoorwaardelijk ontslag werd als niet onevenredig beoordeeld, mede vanwege het geschaad vertrouwen van de gemeente en de burger in het overheidsorgaan. De eerdere disciplinaire maatregel van voorwaardelijk ontslag in 2016 speelde ook mee in de beoordeling.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2019, met verbetering van gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.