ECLI:NL:CRVB:2021:1221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterecht aanmerken zus als partner bij vaststelling draagkracht studieschuld
De minister van Onderwijs stelde de draagkracht van betrokkene vast voor de aflossing van zijn studieschuld, waarbij het inkomen van zijn zus werd betrokken omdat zij als partner werd aangemerkt. Dit partnerbegrip is gebaseerd op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
De rechtbank vernietigde het besluit omdat betrokkene en zijn zus feitelijk in twee afzonderlijke woningen wonen, ondanks dat zij samen eigenaar zijn van één registergoed zonder kadastrale splitsing. De minister stelde in hoger beroep dat het gezamenlijke eigendom en inschrijving op hetzelfde adres voldoende zijn voor partnerschap.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en stelde dat het begrip woning moet worden uitgelegd aan de hand van het fiscale begrip eigen woning uit artikel 3.111 van de Wet IB 2001. De feitelijke situatie toont aan dat sprake is van twee zelfstandige woningen, waardoor geen partnerschap bestaat. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de zus van betrokkene ten onrechte als partner is aangemerkt en dat haar inkomen buiten beschouwing moet blijven bij de draagkrachtberekening.