Uitspraak
20.3323 WUV
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, erkend als vervolgingsslachtoffer, verzocht opnieuw om vergoeding voor tandheelkundige behandeling. Eerder waren vergoedingen toegekend voor een eenmalige gebitsrehabilitatie in 2000 en 2003, waarmee de uit de vervolging voortvloeiende gebitsklachten waren hersteld.
Verweerder wees de nieuwe aanvraag af omdat de huidige behandeling voortvloeit uit normale slijtage en onderhoud, niet uit vervolgingsschade. Dit oordeel werd ondersteund door tandheelkundig advies, waaruit bleek dat de huidige klachten geen verband houden met de oorspronkelijke vervolging.
De Raad bevestigt dat het beleid van eenmalige vergoeding geldt, maar dat bij nieuwe aanvragen altijd medische noodzaak moet worden onderzocht. Gezien het ontbreken van nieuwe medische indicaties en het oordeel van de tandheelkundig adviseur, handhaaft de Raad het besluit van verweerder en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot vergoeding van de tandheelkundige behandeling wordt gehandhaafd.