ECLI:NL:CRVB:2021:1038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks CVS/ME
Appellante, sinds 2006 Wajong-uitkeringsgerechtigde wegens vermoeidheidsklachten, kreeg per 1 januari 2018 een verlaging van haar uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon omdat het UWV vaststelde dat zij arbeidsvermogen heeft. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd, waarbij het onderzoek van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als zorgvuldig en goed gemotiveerd werd beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de verzekeringsartsen geen specialisten zijn op het gebied van CVS/ME en dat haar ziekte ernstiger is dan erkend, met verwijzing naar cardiologen en een rapport van de Gezondheidsraad. Zij stelde dat zij niet zelfredzaam is en ondersteuning nodig heeft bij werk.
De Raad oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had om tegenbewijs te leveren en dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was. De medische informatie van cardiologen en de Gezondheidsraad gaf geen aanleiding tot een ander oordeel, mede omdat deze informatie de situatie op latere data betrof dan het UWV-onderzoek. De Raad bevestigde dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is en basale werknemersvaardigheden bezit.
Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de Wajong-uitkering gehandhaafd. Er werd geen aanleiding gezien voor inschakeling van een onafhankelijke deskundige of voor toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% vanwege vastgestelde arbeidsmogelijkheden.