ECLI:NL:CRVB:2021:1016
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake herroeping intrekking bijstand en vergoeding kosten rechtsbijstand
Appellante ontvangt sinds 2006 bijstand en kreeg bij besluit van 13 maart 2017 de bijstand ingetrokken wegens schending van de inlichtingenverplichting. Het college vorderde kosten terug en weigerde vergoeding van meerkosten rechtsbijstand. Na bezwaar herzag het college het besluit op 7 september 2017 en liet intrekking en terugvordering vervallen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het herzieningsbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het college meer kosten rechtsbijstand moest vergoeden vanwege extra werk door niet naar gemachtigde verzonden besluiten en dat de rechtbank niet afzonderlijk had mogen oordelen na samenvoeging van procedures.
De Raad volgde appellante niet, oordeelde dat er geen sprake was van extra vergoedingsgrond en dat de rechtbank niet in strijd met artikel 8:14 Awb Pro had gehandeld. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met bijna twee maanden was overschreden, waarvoor een immateriële schadevergoeding van € 500,- werd toegekend. De Staat werd tevens veroordeeld in de proceskosten van appellante ad € 267,-. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500,- en proceskosten van € 267,- aan appellante.