Appellante heeft vier kinderen die vanaf eind 2013 vanwege een uithuisplaatsing bij hun grootouders wonen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde het recht op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2014, omdat de kinderen volgens haar niet meer tot het huishouden van appellante behoorden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante onvoldoende had aangetoond in het onderhoud van haar kinderen te hebben bijgedragen. In hoger beroep stelde appellante dat zij meer kosten had gemaakt dan erkend, maar kon dit niet volledig bewijzen.
De Raad oordeelde dat de beëindiging van het recht op kinderbijslag ten onrechte vanaf het eerste kwartaal 2014 plaatsvond, omdat de kinderen pas vanaf 22 januari 2014 bij de pleegouders woonden. Voor kind 2 over het vierde kwartaal 2015 is aangetoond dat appellante voldoende heeft bijgedragen. Voor de overige perioden was dit niet het geval.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, herroept het besluit van 19 oktober 2016 voor zover het recht op kinderbijslag werd beëindigd vanaf het eerste kwartaal 2014, en veroordeelde de Svb in de proceskosten.