ECLI:NL:CRVB:2020:843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellant was werkzaam tot maart 2013 en meldde zich in januari 2014 ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, die na een eerstejaars beoordeling werd voortgezet. Psychiater De Waard stelde in januari 2015 een aanpassingsstoornis vast en een verzekeringsarts achtte appellant belastbaar met beperkingen, vastgesteld in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant 89,19% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen, waarop het UWV de ZW-uitkering per 21 mei 2015 beëindigde. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij psychiater Busard een afwijkende diagnose stelde, maar de rechtbank oordeelde dat de UWV-beoordeling juist en zorgvuldig was en benoemde De Mooij als onafhankelijke deskundige. De Mooij kon appellant niet onderzoeken en vond het rapport van Busard onvoldoende onderbouwd.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en diende nieuwe medische informatie in van psychiater Derksen over een vrijwillige opname in 2018. De Raad oordeelde dat deze informatie geen aanknopingspunten bood om de eerdere beoordeling te wijzigen, mede omdat de opname drie jaar na de datum in geschil plaatsvond, de behandeling werd afgebroken en er geen inhoudelijke conclusies waren. De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellant terecht geen recht meer had op ZW-uitkering.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat het medisch onderzoek door het UWV ondeugdelijk was en dat zijn beperkingen juist waren vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.