ECLI:NL:CRVB:2020:730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WW-dagloon als redelijke afspiegeling van welvaart appellant
Appellant is op 9 september 2016 met ingang van 6 oktober 2016 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering waarbij het UWV het dagloon heeft vastgesteld op €70,79. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat het dagloon niet in overeenstemming is met het dervingsbeginsel en dat het Dagloonbesluit buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV het dagloon correct had vastgesteld op basis van het daadwerkelijk genoten loon in het refertejaar. De rechtbank wees erop dat het Dagloonbesluit geen ruimte biedt voor afwijkingen of hardheidsclausules en dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet zijn van de welvaart voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Raad, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat het Dagloonbesluit een specifieke regeling bevat die een referteperiode van een jaar hanteert om een redelijke afspiegeling van de welvaart te waarborgen. Het feit dat het dagloon op basis van het laatste loon hoger zou zijn, betekent niet dat het huidige dagloon in strijd is met het dervingsbeginsel.
De Raad concludeerde dat het beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het WW-dagloon wordt bevestigd.