Uitspraak
17.5453 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 53,92%. Vanaf 24 juli 2012 had appellant inkomsten uit arbeid, welke hij niet aan het UWV heeft gemeld. Het UWV heeft daarop de uitkering herzien en vastgesteld dat appellant recht had op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (43,49%) en een WGA-loonaanvullingsuitkering in plaats van een WGA-vervolguitkering.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het UWV terecht de herzieningsbepalingen van artikel 76 Wet Pro WIA heeft toegepast en dat appellant zijn meldingsplicht heeft geschonden. Er waren geen dringende redenen om van herziening of terugvordering af te zien. Appellant voerde aan dat het UWV en zijn werkgever op de hoogte waren van zijn werkzaamheden, maar dit ontsloeg hem niet van zijn meldingsplicht.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad overwoog dat het beleid van het UWV om uitkeringen met terugwerkende kracht te herzien, consistent en begunstigend is toegepast. Er was geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. De terugvordering van €7.023,74 is terecht en er zijn geen dringende redenen om hiervan af te zien. Het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WIA-uitkering en terugvordering door het UWV bevestigd.