ECLI:NL:CRVB:2020:691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die zich in 2014 ziek meldde met rugklachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen correct waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij ernstiger beperkingen had dan vastgesteld, onder meer door pijn, medicatiegebruik, en beperkingen in handgebruik. Ook stelde hij dat de MRI-scanresultaten onvoldoende waren meegewogen en dat hij niet geschikt was voor de geselecteerde functies, mede vanwege gebrek aan computervaardigheden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige de belastbaarheid passend had beoordeeld. De stellingen van appellant boden onvoldoende grond om het oordeel te wijzigen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.