Uitspraak
18.3791 WSF
OVERWEGINGEN
27 september 2017;
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student, maar de minister herzag dit en kwalificeerde hem als thuiswonend na een huisbezoek waarbij werd vastgesteld dat appellant vermoedelijk niet op het geregistreerde adres woonde. De minister legde tevens een bestuurlijke boete op wegens overtreding van artikel 1.5, eerste lid, Wsf 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het huisbezoek voldoende bewijs leverde dat appellant niet op het adres woonde en dat de boete passend was. In hoger beroep voerde appellant aan dat er wel degelijk persoonlijke spullen aanwezig waren en dat hij tijdelijk afwezig was vanwege kluswerkzaamheden, ondersteund door verklaringen van de hoofdbewoonster en familie.
De Raad oordeelt dat de minister niet heeft voldaan aan de zwaardere bewijslast voor het opleggen van een boete en dat het tegenbewijs van appellant voldoende twijfel zaait over de conclusie dat hij niet op het adres woonde. Daarom wordt het besluit tot boete vernietigd, het beroep gegrond verklaard en de minister veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bestuurlijke boete wordt vernietigd en het besluit van 9 juni 2017 wordt herroepen.