ECLI:NL:CRVB:2020:681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant vroeg in 2000 een Wajong-uitkering aan vanwege psychische klachten, maar het UWV wees dit af omdat hij zijn VWO met goede resultaten had afgerond, militaire dienst had vervuld en tot 1993 in loondienst werkte zonder aanwijzingen van arbeidsongeschiktheid. Latere medische rapporten wezen op beperkingen, maar onvoldoende om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag naar vóór 2000 te verplaatsen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht geen arbeidskundige had geraadpleegd en dat de medische stukken onvoldoende waren om eerdere arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Appellant bracht in hoger beroep aanvullende verklaringen in, maar deze boden onvoldoende steun.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het besluit van het UWV. De Raad wees het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming af, maar kende appellant een vergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van €262,50.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering en kent een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.