ECLI:NL:CRVB:2020:676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na verkoop woning en waardevaststelling vermogen
Appellante ontving bijstand vanaf november 2013, terwijl zij in echtscheiding was en recht had op de helft van de waarde van de gezamenlijke woning. Na beëindiging van de bijstand in maart 2015 en verkoop van de woning, stelde het college vast dat appellante over vermogen beschikte dat de bijstand overschreed. Het college vorderde daarom de bijstand terug over de periode 2013-2015.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, omdat het college terecht de waarde van de woning ten tijde van verkoop als maatstaf nam. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het vermogen ten onrechte op dat moment werd vastgesteld en dat de bijstand niet voorwaardelijk was toegekend.
De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende nieuw zijn en sloot zich aan bij de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank. De terugvordering blijft daarom in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand is terecht gebaseerd op de waarde van het vermogen ten tijde van de verkoop van de woning.