Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 23 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam eiseres] , wonende te [plaatsnaam] , eiseres, gemachtigde: mr. W.J. Jurgers, advocaat te Bergen op Zoom,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,(ISD Brabantse Wal: de ISD), verweerder, gemachtigde: mr. M. Niessen.
Procesverloop
Overwegingen
Over de feiten
€ 43.612,43 met ingang van 15 februari 2019. Het betreft de opbrengst van de verkoop van de woning die op 26 april 2017 toebehoorde aan haar en [naam mede-eigenaar woning] .
Zij heeft die stelling echter niet gemotiveerd, en voor die stelling is ook geen steun te vinden in de tekst en de wetsgeschiedenis van die bepaling. Integendeel, uit de in overweging 5 beschreven gedachte, die aan die bepaling ten grondslag ligt, vloeit voort dat het uitdrukkelijk de bedoeling is dat ook na de periode van bijstandverlening beschikbaar komende middelen niet gevrijwaard zijn voor terugvordering, als ten tijde van de bijstandverlening aanspraak bestond op die middelen.
De rechtbank wijst daarbij op vaste rechtspraak van de CRvB (zie recent nog de uitspraak van 17 maart 2020, ECLI:NL: CRVB:2020:676).