ECLI:NL:CRVB:2020:667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering geldwaarde pgb wegens opzettelijk onjuiste gegevens en medewerking
Appellante is eigenaar van een eenmanszaak die zorg verleende aan haar broer (betrokkene), aan wie het college een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekte voor huishoudelijke ondersteuning en beschermd wonen. Het college stelde vast dat betrokkene onjuiste gegevens verstrekte over de geleverde zorg en trok de besluiten in waarbij het pgb was toegekend, waarna het de geldwaarde van het ten onrechte genoten pgb terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze vordering ongegrond, omdat zij opzettelijk hulp en assistentie had verleend bij het verstrekken van de onjuiste gegevens. Appellante voerde onder meer aan dat artikel 2.4.1 Wmo 2015 niet op haar van toepassing was en dat zij geen inlichtingenplicht had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht de geldwaarde van het pgb van appellante kon vorderen, omdat zij opzettelijk medewerking had verleend aan de onjuiste opgave. De Raad bevestigde dat de wettelijke bepaling ook ziet op derden die medewerking verlenen, ongeacht het ontbreken van een derdenbeding. Verder vond de Raad de onderzoeksbevindingen en getuigenverklaringen voldoende onderbouwing voor het standpunt van het college.
De Raad verwierp de bezwaren van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vordering van het college tot terugvordering van de geldwaarde van het ten onrechte genoten pgb van appellante wegens opzettelijke medewerking aan onjuiste gegevens.