Appellant was vrijwillig brandweerman en klaagde na een inzet op 22 november 2014 over fysieke klachten zoals hoesten, hoofdpijn en duizeligheid. Hij stelde het dagelijks bestuur aansprakelijk voor de schade die hij daardoor zou hebben geleden. De rechtbank wees het verzoek tot schadevergoeding af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij was blootgesteld aan gevaarlijke stoffen tijdens zijn werkzaamheden.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Er zijn geen objectieve aanwijzingen dat appellant tijdens de inzet is blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. De medische informatie ondersteunt niet dat de klachten door het werk zijn veroorzaakt. Ook het betoog dat onvoldoende is gemeten op gevaarlijke stoffen faalt, omdat de inzet was afgestemd op de situatie ter plaatse en er geen bron of indicatie was van gevaarlijke stoffen.
Daarnaast is het niet aannemelijk dat de psychische klachten van appellant verband houden met het incident. De omkeringsregel wordt niet toegepast omdat het oorzakelijk verband tussen werkzaamheden en schade te onzeker is. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.