ECLI:NL:CRVB:2020:653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking kinderbijslag terugwerkende kracht tot één jaar zonder bijzonder geval
Appellante, woonachtig in Spanje, diende medio 2015 een aanvraag in voor kinderbijslag over haar in 2002 en 2004 geboren kinderen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende de uitkering toe met ingang van het tweede kwartaal van 2014, waarna appellante bezwaar maakte tegen de beperkte terugwerkende kracht. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat geen sprake was van een bijzonder geval.
In hoger beroep stelde appellante dat haar late aanvraag te wijten was aan onbekendheid met verdragsbepalingen, waardoor zij niet tijdig kon aanvragen. Zij verwees naar het arrest Slanina van het Hof van Justitie van de EU, dat pas in 2012 leidde tot beleidswijzigingen bij de Svb. De Raad beoordeelde of deze omstandigheden een bijzonder geval vormden dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt.
De Raad oordeelde dat een bijzonder geval alleen aan te nemen is indien de belanghebbende door niet aan hem toe te rekenen oorzaken niet tijdig kon aanvragen en dat onbekendheid met rechten verschoonbaar moet zijn. De beleidswijziging in 2012 maakte de rechten voldoende kenbaar. Appellante diende haar aanvraag pas medio 2015 in, zonder bijkomende omstandigheden die haar onbekendheid rechtvaardigen. Daarom is de beperking tot één jaar terugwerkende kracht terecht.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De terugwerkende kracht van de kinderbijslag wordt beperkt tot één jaar omdat geen sprake is van een bijzonder geval.