Appellant ontving vanaf augustus 2011 een AOW-uitkering als alleenstaande. Na melding van zijn detentie sinds januari 2008 besloot de Sociale verzekeringsbank (Svb) in juni 2013 dat appellant de te veel ontvangen AOW moest terugbetalen. Een bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard en stond in rechte vast.
In december 2016 verzocht appellant om herziening van deze beslissing, maar de Svb wees dit af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of onmiskenbare onjuistheid. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet op de hoogte was van de detentievraag op het aanvraagformulier en dat de Svb onvoldoende onderzoek had gedaan. De Raad oordeelde dat het verzoek geen nieuwe feiten bevatte, dat de wetgeving omtrent detentie en AOW al voor de aanvraag van kracht was en dat appellant zijn meldingsplicht niet was nagekomen.
Ook het argument dat de terugvordering ingrijpend was, werd verworpen omdat de schuldenpositie van appellant niet wezenlijk was veranderd. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.