Betrokkene ontving vanaf juli 2010 een ongehuwdenpensioen op grond van de AOW. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde na een systeemmelding en onderzoek vast dat betrokkene sinds mei 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn voormalige schoondochter X. Op basis hiervan herzag de Svb het pensioen van betrokkene van ongehuwden- naar gehuwdenpensioen en legde zij een boete op wegens het niet melden van deze situatie.
De rechtbank Rotterdam oordeelde echter dat onvoldoende bewijs bestond voor een gezamenlijke huishouding en vernietigde zowel het herzieningsbesluit als het boetebesluit. De Svb ging in hoger beroep tegen deze uitspraken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de feiten en omstandigheden, waaronder het samenwonen, het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes, de financiële bijdragen en de mate van zorg voor elkaar, wel degelijk wijzen op een gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de Svb tegen de herziening en de boete ongegrond.
Daarnaast stelde de Raad vast dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat de opgelegde boete proportioneel is, ook al is rekening gehouden met zijn financiële draagkracht. De Raad benadrukte dat betrokkene een betalingsregeling kan aanvragen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 maart 2020.