Appellante ontvangt sinds oktober 2015 bijstand en huurt een woning waar op 12 februari 2016 een hennepkwekerij werd aangetroffen. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het niet melden van de exploitatie van de kwekerij. Appellante stelde dat een derde, een vriend, de kwekerij had opgezet en geëxploiteerd tijdens haar afwezigheid, en dat zij geen inkomsten had ontvangen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep wijzigde het college zijn standpunt over de periode van intrekking en terugvordering. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, maar het beroep tegen het nader besluit ongegrond.
De Raad oordeelde dat de aanwezigheid van de kwekerij de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellante exploitant was en inkomsten genoot. Haar stelling dat een ander de kwekerij exploiteerde was onvoldoende onderbouwd. Bovendien schond zij de inlichtingenverplichting door het niet melden van de kwekerij, ongeacht haar beweerde angst. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten.