ECLI:NL:CRVB:2020:612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.T.H. Zimmerman
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1999 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na een onderzoek door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd vastgesteld dat appellant vanaf de geboorte van zijn dochter in 2004 een gezamenlijke huishouding voerde met X, aangezien zij hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en een kind uit hun relatie was geboren.
De Svb trok de uitkering per 1 september 2004 in en vorderde de uitkering over de periode tot en met december 2015 terug. Appellant maakte bezwaar, maar de Svb handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Svb voldoende feiten had verzameld om te concluderen dat appellant en X een gezamenlijke huishouding voerden. Verklaringen van appellant zelf en getuigen ondersteunden dit. Tegenbewijs van appellant werd onvoldoende geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 september 2004.